Nijmegen
Home » * Onderwijs » Testen leerlingen

Testen leerlingen

Hoe testen scholen hun leerlingen?
Het volgen van de ontwikkeling van de leerlingen gebeurt met een leerlingvolgsysteem, elke school heeft zo’n systeem nodig. Hiervoor maken de meeste scholen gebruik van het door Cito ontwikkelde systeem. Deze uitgever heeft voor de verschillende vakken toetsen ontwikkeld die halfjaarlijks worden afgenomen vanaf groep 1. Als uitkomst kan er een A, B,C,D of E uitkomen, waarbij een A vergelijkbaar is met een 9 of 10 volgens het in het Nederlandse onderwijs gebruikelijke beoordelingssysteem. Het gemiddelde ligt precies tussen B en C. De uitslagen worden genoteerd in het leerlingvolgsysteem. Aan de hand hiervan kan de leerkracht zien wat het ontwikkelingsniveau is van de leerling en zijn onderwijs hierop aanpassen. Een volledig leerlingvolgsysteem betreft de hele basisschool. Zo kan de leerkracht meten in hoeverre de leerlingen de leerstof van een bepaald leerjaar beheersen, en wie op welke onderdelen eventueel extra oefening of uitleg behoeft. Aansluitend op de resultaten van het LVS kunnen dan ook een reeks remediëringsoefeningen, verdiepings- of uitbreidingstaken worden toegepast. Bekend van Cito is de Eindtoets, waarmee aangegeven kan worden welk brugklastype het best past bij een kind. Deze is voornamelijk bedoeld om inzicht te geven waar het betreffende kind goed in is en waar niet, maar de uiteindelijke schoolkeuze kan afwijken van wat door Cito geadviseerd is.

Ook andere uitgevers en instituten brengen toetsen op de markt, zoals de toetsen van het DLE- eerlingvolgsysteem. DLE staat voor didactische leeftijdsequivalent. Toetsscores zijn om te rekenen in een zogenaamdeDLE. Hierbij staat iedere groep voor 10 DLE's, te beginnen bij groep 3 (leerjaar 1). Aan het eind van de basisschool heeft de leerling derhalve gemiddeld een DLE van 60.

Sterk in opkomst is de ontwikkeling waarbij de school naast het vaardigheidsniveau van de leerling óók de aanleg en de persoonlijkheidskenmerken in beeld brengt. Dit met de bedoeling na te gaan of eruit komt wat erin zit. Al vroeg in de schoolloopbaan wil men door het testen van de aanleg (met bijvoorbeeld de Begintest al in de tweede helft van groep 2) een ontwikkelingsperspectief van de leerling schetsen. Het nastreven van een onrealistisch niveau kan voor zowel het kind als de ouders erg frustrerend zijn. In tegenstelling tot de vaardigheidstoetsen, die zo'n twee keer per jaar worden afgenomen, worden de aanlegtoetsen eens in de twee jaar afgenomen.

Rapportage
De school is verplicht om de vorderingen van de leerlingen te rapporteren naar de ouders of verzorgers. Meestal gebeurt dit in een zogenaamd rapportgesprek of tien- minuten- gesprek. Dit is een bespreking tussen leerkracht en ouder(s) of verzorgers. Na het laatste rapport worden kinderen bevorderd tot de volgende groep of blijven zitten en doen dezelfde groep nog eens over. Indien dit laatste het geval is, is de school verplicht om aan te sluiten op de verschillende ontwikkelingsniveaus van de leerling om zodoende een ononderbroken leerproces te garanderen.

Op scholen waar niet gewerkt wordt met de Cito-eindtoets maakt men vaak gebruik van de Nio-toets. De Nio wordt ook wel eens ingezet als er getwijfeld wordt aan de juistheid van de score op de Cito-eindtoets. Nio staat voor Nederlandse Intelligentietest voor Onderwijsniveau. Deze test is net als de Cito-eindtoets een hulpmiddel om te bepalen welk type voortgezet onderwijs een leerling het beste kan gaan volgen.
Kinderen krijgen de test op papier en moeten de instructies zelf lezen. Daarvoor is het belangrijk
dat zij goed Nederlands spreken. De uitslag wordt uitgedrukt in een IQ-score.

IQ- test
Wanneer er een wens is om de intelligentie van een kind te bepalen, gebeurt dat meestal omdat het kind ofwel een lage intelligentie lijkt te hebben dan wel juist een hele hoge. Voor alle gevallen er tussen in volstaan namelijk vaak de normale schoolse toetsen en voortgangstoetsen. Omdat een IQ test voor kinderen dus vaak pas noodzakelijk wordt wanneer er sprake is van een bijzondere situatie, nemen vaak ook de belangen van de betrokkenen sterk toe. Moet een kind naar speciaal onderwijs? Is het kind hoogbegaafd en is remedial teaching nodig?