Nijmegen
Home » * Jeugdzorg » Rechten en plichten

Rechten en plichten

Achtergronden van de wet

De Wet op de jeugdzorg is een belangrijke stap naar een meer cliëntgerichte, samenhangende jeugdzorg. De bouwstenen voor de nieuwe wet dateren uit 1994, toen het kabinetsstandpunt 'Regie in de jeugdzorg' verscheen. Het kabinet besliste toen dat er in iedere

provincie één toegang tot alle voorzieningen voor jeugdzorg moest komen: het bureau jeugdzorg. Ouders en jeugdigen kunnen dan op één plaats terecht bij ernstige problemen met opvoeden en opgroeien.

Tussen 1994 en 1998 is door het hele land een begin gemaakt met het oprichten van de bureaus jeugdzorg. De regering besloot deze en andere ontwikkelingen in 1998 te verankeren in een wet. De Wet op de jeugdhulpverlening zou daarmee verdwijnen.

In nauw overleg met belanghebbenden is een beleidskader opgesteld voor de nieuwe wet, de Wet op de jeugdzorg - en in 2001 is het wetsvoorstel ingediend bij de Tweede Kamer.

De Eerste Kamer heeft het wetsvoorstel op 20 april 2004 aanvaard.

Op 1 januari 2005 is de nieuwe wet in werking getreden.

 

Uitgangspunten en Doelen

De Wet op de jeugdzorg heeft twee doelen: betere zorg voor jeugdigen en hun ouders,

de cliënten van de jeugdzorg en het versterken van hun positie.

De cliënt staat centraal in een meer transparant, eenvoudiger georganiseerd stelsel voor de jeugdzorg.

Dit uitgangspunt ligt vast in vijf beleidsdoelstellingen. Die zijn:

1 De vraag van de cliënt centraal

2 Recht op jeugdzorg

3 Eén centrale, herkenbare toegang tot de jeugdzorg

4 Integratie van Advies- en meldpunten kindermishandeling, de (gezins)voogdij en de

jeugdreclassering in het bureau jeugdzorg

5 Introductie van gezinscoaching

 

Betekenis van de wet…

De positie van de cliënt

De cliënt krijgt een sterkere positie door de invoering van het recht op jeugdzorg.

Wanneer het bureau jeugdzorg bepaalt dat de cliënt jeugdzorg nodig heeft, dan legt zij dit vast in een indicatiebesluit. Dit indicatiebesluit geeft een aanspraak (recht) op zorg. De provincie moet zorgen dat de gevraagde zorg er is. Stelt het bureau jeugdzorg vast dat zorg uit de AWBZ nodig is, dan kan de cliënt die opeisen bij de zorgverzekeraars. De bureaus jeugdzorg moeten – net als de zorgaanbieders – een onafhankelijke vertrouwenspersoon hebben. Deze staat een cliënt met advies en bijstand bij. Ook moeten het bureau jeugdzorg en de zorgaanbieder een klachtenregeling met een klachtencommissie hebben. Cliënten die vinden dat ze onjuist bejegend zijn of het niet eens zijn met de inhoudelijke beoordeling, kunnen klagen bij de commissie. Verder krijgen cliënten meer te vertellen over het beleid van de jeugdzorg. De Wet op de jeugdzorg regelt dat zowel provincies als het Rijk hun beleid met cliëntenorganisaties moeten afstemmen. De bureaus jeugdzorg en de zorgaanbieders dienen een cliëntenraad te hebben. Eén per instelling is voldoende, een zorgaanbieder hoeft niet voor elk afzonderlijk onderdeel van zijn instelling een aparte cliëntenraad te hebben. De cliëntenraden bewaken het algemene cliëntenbelang. Ze kunnen advies geven over de gang van zaken bij zorgaanbieders en de bureaus jeugdzorg.

De indicatie

Een aanvraag voor jeugdzorg moet voordat de jeugdige achttien jaar is, ingediend worden bij het bureau jeugdzorg. Daarna neemt het bureau jeugdzorg deze aanvraag niet meer in behandeling. Het bureau jeugdzorg kan in het nieuwe stelsel, na zorgvuldige bestudering van mogelijke problemen van een jongere een indicatie afgeven voor jeugdzorg. Dit gebeurt wanneer het bureau jeugdzorg verdere zorg voor een jongere noodzakelijk acht. De jongere en de ouders praten mee over het vaststellen van de indicatie door het bureau jeugdzorg. Samen wordt het probleem omschreven en welke zorg nodig is. Daarbij moet rekening gehouden worden met de levensovertuiging of culturele achtergrond. Na het opstellen van het indicatiebesluit helpt het bureau jeugdzorg de cliënt de juiste zorg te vinden.

De hulpverlening

De zorgaanbieder maakt op basis van de indicatie vervolgens een hulpverleningsplan. Dit plan is een belangrijk instrument in de relatie met de cliënt. Bij het opstellen worden jeugdige en ouders betrokken. Zij weten dus van tevoren wat hen te wachten staat en wat van hen wordt verwacht. De cliënt moet het eens zijn met het hulpverleningsplan en mag zijn dossier inzien. Is de cliënt nog geen twaalf jaar of handelingsonbekwaam, dan moet een ouder of verzorger toestemming geven. Is de cliënt ouder dan twaalf – maar jonger dan zestien – dan moeten zowel de jongere als de ouder of de verzorger instemmen. Er is één uitzondering: bij een maatregel vanuit de kinderbescherming is instemming wenselijk maar niet noodzakelijk.

 

Verantwoordelijkheid en financiën

De provincies en grootstedelijke regio’s

De provincies en grootstedelijke regio’s zijn verantwoordelijk voor het bureau jeugdzorg en de zorg waarop aanspraak bestaat op grond van de Wet op de jeugdzorg. Zij ontvangen hiervoor het noodzakelijke geld van het Rijk, in de vorm van twee doeluitkeringen: één voor het zorgaanbod (de hulp) en één voor het bureau jeugdzorg. Aan de doeluitkering van het bureau jeugdzorg voegt de minister van Justitie de middelen voor de uitvoering van de jeugdbescherming en de jeugdreclassering toe. De zorgverzekeraars doen dat voor de indicatiestelling voor de jeugd geestelijke gezondheidszorg.

De rijksoverheid

De rijksoverheid (in dit geval de ministeries van VWS en Justitie) is eindverantwoordelijk voor het gehele stelsel van jeugdzorg. Het Rijk maakt de wetten en regels, de hoofdlijnen van het beleid en stelt geld beschikbaar. Tot slot vallen de justitiële jeugdinrichtingen rechtstreeks onder de verantwoordelijkheid van de minister van Justitie. De Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen regelt de taken en verantwoordelijkheden voor deze inrichtingen.

 

Afstemming in de keten

Een belangrijk doel van de Wet op de jeugdzorg is dat de afzonderlijke schakels in de keten op elkaar aansluiten. De provincie is hiervoor verantwoordelijk en maakt iedere vier jaar – in nauw overleg met de partners in de keten – een provinciaal beleidskader, waarbij het landelijke beleidskader van het Rijk uitgangspunt is. Het provinciale beleidskader moet voorafgaand aan de vaststelling door Gedeputeerde Staten door het Rijk worden goedgekeurd. Omgekeerd levert de provincie het Rijk de benodigde gegevens die als basis dienen voor dit landelijke beleidskader.

 

De gemeenten

Het gemeentelijk jeugdbeleid voor opvoed-, opgroei- en gezinsondersteuning is de afgelopen jaren steeds beter van de grond gekomen. In dit pakket zitten bijvoorbeeld het bestrijden van voortijdig schoolverlaten, de jeugdgezondheidszorg en het algemeen maatschappelijk werk. Het gemeentelijke jeugdbeleid wil problemen met opvoeden en opgroeien zo veel mogelijk voorkómen. Zijn er toch problemen dan moeten gemeenten die signaleren, lichte hulp verlenen en in geval van ernstige problematiek verwijzen naar het bureau jeugdzorg. Gemeenten voeren de bestuurlijke regie over de algemene voorzieningen. Deze algemene voorzieningen zijn het best in staat om vroegtijdig bij kinderen en in hun omgeving problemen

te ontdekken. Zij komen dagelijks met deze kinderen in aanraking. Medewerkers van

deze voorzieningen hebben soms wel behoefte aan informatie of advies en moeten soms hun deskundigheid verbeteren. Het bureau jeugdzorg geeft hen hierbij steun door bijvoorbeeld deel te nemen in netwerken van scholen. Gemeenten hebben veel vrijheid om het lokale jeugdbeleid zelf in te vullen, zodat ze rekening kunnen houden met de specifieke lokale situatie. Het Rijk, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en het Interprovinciaal Overleg (IPO) hebben de gemeentelijke

taken met de invoering van de nieuwe Wet op de jeugdzorg nog eens goed tegen het

licht gehouden. Waar ligt de grens? De taken van opvoed-, opgroei- en gezinsondersteuning in het gemeentelijk domein zijn de volgende:

• Informatie geven aan ouders, kinderen en jeugdigen over opvoeden en opgroeien

• Signaleren van problemen door instellingen als jeugdgezondheidszorg en onderwijs

• Toegang tot het (gemeentelijk) hulpaanbod, beoordelen en toeleiden naar voorzieningen aan de hand van de ‘sociale kaart’ voor ouders, kinderen, jeugdigen en verwijzers

• Pedagogische hulp (advisering en lichte hulpverlening), zoals maatschappelijk werk en coachen van jongeren

• Coördineren van zorg in het gezin op lokaal niveau (gezinscoaching)

De vijf functies staan uitgebreid beschreven in de brochure ‘Opvoed- en opgroeiondersteuning’ van het ministerie van VWS (Den Haag, november 2004).

Het kabinet wil deze taken vanaf 2006 onderbrengen in de nieuwe Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO). Nu hebben de gemeenten deze verantwoordelijkheden nog op grond van de Welzijnswet.

 

De verwijzers

Veel medewerkers van de algemene voorzieningen verwijzen nu al naar het bureau jeugdzorg, wanneer zij denken dat jeugdzorg nodig is. Dit gebeurt echter nog niet overal. Soms wordt direct verwezen naar een zorgaanbieder. Dat kan met de nieuwe wet niet meer. Voor deze zorg is dan ook een indicatiebesluit van het bureau jeugdzorg nodig. Er is één uitzondering. Een huisarts mag nog wel rechtstreeks doorverwijzen naar de jeugd geestelijke gezondheidszorg, wanneer hij een redelijker vermoeden heeft van een ernstig psychische stoornis bij de jeugdige. Deze uitzondering wordt beschreven in het Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg. Deze is te vinden op www.jeugdzorg.nl.

Toezicht en handhaving

De bureaus jeugdzorg en de zorgaanbieders zijn met de nieuwe Wet op de jeugdzorg zelf verantwoordelijk dat zij hun werk kwalitatief goed doen. Zij moeten jaarlijks een verslag publiceren met gegevens over de kwaliteit van hun werk, de evaluatie hiervan en de eventuele verbeteringen. Het verslag moet duidelijk vermelden hoe cliënten betrokken zijn bij dit kwaliteitsbeleid. Gedeputeerde Staten, de Inspectie jeugdzorg en cliëntenorganisaties krijgen een exemplaar van dit verslag.

De Inspectie jeugdzorg (de nieuwe naam voor de inspectie jeugdhulpverlening en jeugdbescherming) let op de kwaliteit van het werk van de zorgaanbieders en bureaus jeugdzorg. De Inspectie doet dit op eigen initiatief, op verzoek van een individuele provincie of, als het gaat om een landelijk beeld, van het ministerie van VWS en/of Justitie. De Inspectie gezondheidszorg ziet als vanouds toe op de jeugd geestelijke gezondheidszorg en de zorg voor licht verstandelijk gehandicapte jeugdigen. De belangrijkste wijziging met de nieuwe wet is dat de Inspectie jeugdzorg ook toezicht gaat houden op de Raad voor de Kinderbescherming. Verder krijgt de Inspectie de mogelijkheid om een schriftelijk bevel te geven wanneer bestuurlijk ingrijpen op korte termijn bij een organisatie nodig is.         

 

Privacy

Bureau Jeugdzorg legt gegevens van jeugdigen en anderen vast. Het vastleggen van gegevens is voor Bureau Jeugdzorg noodzakelijk om haar taken goed te kunnen uitvoeren. Dit betekent echter niet dat derden of medewerkers van andere afdelingen van Bureau Jeugdzorg zomaar inzage in deze gegevens hebben. Hulpverleners in dienst van Bureau Jeugdzorg hebben een geheimhoudingsplicht en mogen daarom in principe alleen met uw toestemming gegevens over u aan anderen verstrekken. Aan de andere kant heeft Bureau Jeugdzorg de taak om de belangen van jeugdigen te beschermen en mag de noodzakelijk geachte hulpverlening niet in gevaar komen. Dit betekent dat soms ook zonder toestemming informatie aan derden wordt verstrekt. In het Privacyreglement Bureau Jeugdzorg zijn de uitgangspunten opgenomen over onder meer de verwerking van persoonsgegevens, inzage en afschrift en het verstrekken van informatie aan derden.

Het privacyregelement bestaat uit de volgende artikelen:

Artikel 1: Algemene bepalingen (begripsbepalingen.

Artikel 2: Reikwijdte van het reglement (welke gegevens worden opgenomen)   

Artikel 3: Taken van Bureau Jeugdzorg

Vaststellen van geschikte zorg voor client, uitoefenen van voogdij / jeugdreclasseringstaken, AMK, het maken van een hulpverlenginsplan, de zorg evalueren, adviseren, opvoedondersteuning, kindertelefoon, 

Artikel 4: Toegang tot het dossier (wie)

Artikel 5: Algemene informatie voor de client over gegevensverwerking.

Artikel 6: Doel van de verwerking van persoonsgegevens

Artikel 7: Voorwaarden voor een rechtmatige verwerking.

Artikel 8: Grondslag voor de verwerking van persoonsgegevens.

Artikel 9: verwerking van bijzondere persoonsgegevens.

Artikel 10: verwerking van persoonsgegevens met gebruik van audio/visuele hulpmiddelen.

Artikel 11: verwerking ten behoeve van onderzoek en statistiek.

Artikel 12: Informatieverstrekking door het advies- en Meldpunt Kindermishandeling.

Artikel 13: Inzage en afschrift voor de cliënt.

Artikel 14: Kennismaking door een betrokkene niet zijnde de client.

Artikel 15: Kosten van afschrift.

Artikel 16: Recht op correctie.

Artikel 17: Derdenverstrekking.

 

Een vertrouwenspersoon is er om jou te helpen bij vragen, ontevredenheid of klachten die te maken hebben met de Gelderse instellingen in de jeugdzorg. De vertrouwenspersoon is onafhankelijk en niet verbonden aan een instelling in de jeugdzorg.

Zorgbelang Gelderland
IJsselburcht 4
Postbus 5310
6802 EH  Arnhem
Tel. 026 384 28 22 (werkdagen van 9 tot 16.30 uur)
Fax 026 384 28 23
vertrouwenspersoon@zorgbelanggelderland.nl
www.zorgbelanggelderland.nl

 

Bovenstaande informatie komt van de website: http://www.bjzgelderland.nl